Genetica

Genetica 2016-11-11T09:41:35+00:00

Erfelijke aandoeningen

Elk normaal persoon heeft in iedere cel van zijn lichaam 46 chromosomen. Personen met te veel of te weinig chromosomen hebben een chromosoomafwijking.
Aangezien er veel verschillende chromosomen zijn, bestaan er ook veel verschillende chromosoomafwijkingen. In de meeste gevallen lijden deze tot ernstige lichamelijke en geestelijke afwijkingen. Het meest bekende voorbeeld van een chromosoomafwijking is mongolisme dat vaak ook syndroom van Down wordt genoemd omdat Dokter Langdon Down (1866) deze chromosoomafwijking als eerste beschreef in de medische literatuur. In de genetica, en in de geneeskunde in het algemeen, worden ziekten vaak genoemd naar de arts die de ziekte voor het eerst beschreef.

Kind met syndroom van Down.

Een syndroom is een ziekte waarbij er afwijkingen zijn van verschillende organen, zoals de ogen, hersenen en het hart. Bij het syndroom van Down vormt de verstandelijke achterstand het voornaamste kenmerk, terwijl ongeveer de helft van de Down patiënten een aangeboren hartafwijking vertoont.
Het syndroom van Down wordt veroorzaakt door een extra derde chromosoom 21. Deze patiënten hebben dus geen 46, maar 47 chromosomen. Terwijl iedereen twee chromosomen 21 heeft, zijn er bij deze patiënten 3 chromosomen 21 aanwezig. Men spreekt daarom van een trisomie 21. De oorzaak van een trisomie ligt meestal bij de vorming van de geslachtscellen (de eicel van de moeder of zaadcel van de vader). Normaal bevatten de geslachtscellen, die bij de bevruchting samenkomen, elk 23 chromosomen met 1 chromosoom 21. Wanneer echter één van de geslachtscellen een chromosoom 21 te veel heeft, zal de bevruchte eicel waaruit de baby ontstaat, 47 chromosomen hebben, met 3 chromosomen 21.

 

Met de leeftijd van de moeder, met name vanaf het 36 ste jaar, stijgt het risico dat de eicel 2 in plaats van 1 chromosoom 21 bevat, en neemt dus ook het risico op een kind met het syndroom van Down toe. Daarom laten zwangeren die iets ouder zijn(meestal vanaf de leeftijd van 36 jaar) vaak een onderzoek voor de geboorte doen om uit te sluiten dat de vrucht een trisomie of een andere chromosoom afwijking heeft.
Een gemiddeld ouderpaar heeft een risico van ongeveer 1:200 op een kind dat geboren wordt met een chromosoomafwijking. Het risico neemt uiteraard toe met de leeftijd van de moeder. In ongeveer de helft van de chromosoomafwijkingen gaat het om een trisomie 21.

Andere numerieke chromosoomafwijkingen zijn trisomie 13 (ook syndroom van Patau genoemd), en trisomie 18 (ook syndroom van Edwards genoemd).

Trisomie 13 (Patau syndroom) is een zeer ernstige chromosoomafwijking waarbij de kinderen vroeg overlijden. De babies met trisomie 13 hebben ook vaak een gesleten lip en verhemelte, hersenafwijkingen en hartafwijkingen.

Ook trisomie 18 (Edwards syndroom) is een ernstige chromosoomafwijking waarbij de babies meestal in het eerste levensjaar overlijden. Kenmerken zijn hersen- en hartafwijkingen, een kleine mond en afwijkende handjes met gebalde vuistjes.

De numerieke chromosoomafwijkingen van de geslachtschromosomen, het X chromosoom en het Y chromosoom zijn minder ernstig.
Bij het syndroom van Turner betreft het meisjes met 1 in plaats van twee X chromosomen (monosomie X), die meestal te klein zijn, geen menstruatie hebben en onvruchtbaar zijn. Vaak ook bestaat er een brede hals en opgezwollen handen en voeten, vooral bij babies. De verstandelijke ontwikkeling is normaal of licht vertraagd.

Wanneer de moeder van een kind met een numerieke chromosoomafwijking opnieuw zwanger is, bestaat er meestal slechts een licht verhoogd risico op een tweede kind met een chromosoomafwijking (1 à 2% bovenop het leeftijdsrisico). De overige familieleden hebben geen verhoogd risico op een kind met een numerieke chromosoomafwijking. De numerieke chromosoom afwijkingen zijn dus eigenlijk niet erfelijk in de zin van overerfbaar, alhoewel het wel afwijkingen zijn van ons erfelijk materiaal.

Prenatale diagnostiek

Ultrasound

De echografie maakt gebruik van ultrasone geluidsgolven (vandaar de Engelse benaming ultrasound) om een beeld te maken van het ongeboren kind. Het echoapparaat stuurt deze geluidsgolven door het lichaam van moeder en kind, en vangt de door het lichaam teruggekaatste echo’s (vandaar de benaming echografie) van deze geluidsgolven terug op. Deze echo’s worden dan in een beeld van het kind omgezet. Echografie wordt zeer vaak in de geneeskunde gebruikt om inwendige structuren of organen in beeld te brengen, net zoals de CT scan en de MRI. De ultrasone geluidsgolven zijn onschadelijk voor moeder en foetus.
Met echografie is het mogelijk om vormafwijkingen van de foetus aan te tonen. Met echografie kunnen afwijkingen zoals groeiachterstand, neuraal buis defecten (open ruggetje), waterhoofd, hartafwijkingen, aanlegstoornissen van de nieren, enz worden opgespoord. Omdat echografie, net zoals fotografie, enkel de vorm en niet de functie in beeld brengt, kunnen alleen uiterlijke afwijkingen van het kind of zijn organen gediagnosticeerd worden. Echografie zegt natuurlijk niets over de goede werking (functie) van die organen. Echografie is de belangrijkste techniek om voor de geboorte foetale afwijkingen in beeld te brengen, en zou dus in elke zwangerschap als routineonderzoek moeten uitgevoerd worden. Deze routine echografie wordt het best rond de 18de-19de week verricht. Uiteraard is het aangewezen om een arts gespecialiseerd in echografie dit onderzoek te laten verrichten indien er een verhoogde kans bestaat op een kind met aangeboren afwijkingen. Dit is het geval als er een voorgaand kind is (geweest) met zulke afwijkingen of als een van de aanstaande ouders zelf die afwijkingen heeft. Sommige afwijkingen kunnen reeds zeer vroeg worden vastgesteld. Soms kan een speciale echografie in verband met een verhoogd risico op afwijkingen al vanaf de 12de week plaatsvinden en wordt meestal enkele malen herhaald afhankelijk van de bevindingen.

 

Vruchtwaterpunctie – amnioscentese

Bij een vruchtwaterpunctie wordt een beetje (ongeveer 20ml) vruchtwater van de foetus opgezogen na een prik door de buikwand en de vruchtvliezen. Deze prik wordt uitgevoerd en brengt weinig hinder of pijn mee voor moeder en foetus (te vergelijken met een prik voor een bloedafname of inspuiting van geneesmiddelen). Een vruchtwaterpunctie brengt slechts een klein risico voor de zwangerschap mee. In ongeveer 1 op 200 gevallen (0,5%) treedt na de prik een miskraam op ten gevolge van een bloeding, een infectie of een vruchtwaterlek. De kans op beschadiging van de vrucht of de geboorte van een kind dat letsels toont van de vruchtwaterpunctie is uitermate klein. Natuurlijk is niet elke miskraam na een vruchtwaterpunctie het gevolg van deze punctie, want ook vrouwen die geen vruchtwaterpunctie krijgen, kunnen een miskraam hebben.
Een vruchtwaterpunctie wordt gedaan om zowel vruchtwater als foetale cellen die in het vruchtwater zweven te verkrijgen. Deze vruchtwatercellen zijn cellen van het kind, afkomstig van de huid en de slijmvliezen. Zowel de vruchtwatercellen als het vruchtwater kan men gebruiken voor prenataal onderzoek. Dit onderzoek kan bestaan uit onderzoek van de chromosomen, de stofwisseling , DNA en bepaling van het alpha-foetoproteine gehalte (AFP). Bij elke vruchtwaterpunctie wordt standaard een bepaling van het AFP (om een neuraal buis defect uit te sluiten), en een chromosomenonderzoek (om bv uit te sluiten dat de foetus Down syndroom heeft) uitgevoerd. Soms wordt aanvullend aan het gewone chromosomenonderzoek een speciaal snel screenend chromosomenonderzoek gedaan om enkele frequente chromosoomaandoeningen zoals Down syndroom uit te sluiten. In vele gevallen wordt tegenwoordig ook DNA onderzoek naar mucoviscidose gedaan. Additioneel kan onderzoek verricht worden naar specifieke ziektebeelden waarop een verhoogd risico bestaat.
Een vruchtwaterpunctie wordt liefst tussen de 15de en de 16de zwangerschapsweek uitgevoerd. De uitslag van de AFP test en het snelle chromosomenonderzoek zijn reeds na 3 dagen bekend. Het additionele onderzoek (volledige chromosomen onderzoek, het DNA onderzoek en het biochemisch onderzoek) duurt meestal langer (2-4 weken) omdat hier vaak vruchtwatercellen moeten voor gekweekt worden in het laboratorium, wat tijd kost.
Wanneer door vruchtwateronderzoek een afwijking wordt gevonden is de termijn van de zwangerschap vaak reeds gevorderd tot de 18 de week. Wanneer de ouders beslissen de zwangerschap te onderbreken, is dit alleen mogelijk door het met medicijnen opwekken van de bevalling.

Vruchtwaterpunctie
Vlokkentest.

Vlokkentest – chorionbioptie

Bij een vlokkentest worden vlokken afkomstig van de foetus onderzocht (vandaar de naam vlokkentest). Door een zuigslangetje in te brengen door de baarmoedermond, of via een punctie door de buikwand en de chorion vliezen, kan men vlokken opzuigen (vandaar de naam chorion bioptie). De vlokken zijn uitlopers van de moederkoek, die zich rondom de foetus bevindt. De prik van de vlokkentest brengt weinig hinder of pijn mee voor de moeder, net zoals bij een vruchtwaterpunctie. Het risico op een miskraam is echter iets hoger dan bij een vruchtwaterpunctie, en varieert tussen 1 en 2%. Dat dit risico hoger is dan bij de vruchtwaterpunctie is niet verwonderlijk: de vlokkentest gebeurt immers vroeger dan de vruchtwaterpunctie (meestal in de 11de zwangerschapsweek), en de foetus is in de 11de week gevoeliger voor een ingreep dan in de 16de week wanneer de vruchtwaterpunctie meestal wordt uitgevoerd.
Met de vlokkentest kan men prenataal onderzoek verrichten naar dezelfde afwijkingen als men kan opsporen met een vruchtwaterpunctie, met uitzondering van het AFP gehalte: AFP kan enkel in vruchtwater en serum bepaald worden. Met een vlokkentest kan dus chromosomen-, biochemisch- en DNA-onderzoek verricht worden. Een ander nadeel van de vlokkentest ten opzichte van de vruchtwaterpunctie is het hogere risico op miskraam. Maar de vlokkentest heeft ook voordelen ten opzichte van de vruchtwaterpunctie. Wanneer er DNA onderzoek moet gebeuren, is het beter een vlokkentest uit te voeren omdat vlokken meer geschikt zijn voor DNA onderzoek dan vruchtwater. Het grote voordeel van de vlokkentest is echter dat deze vroeger kan uitgevoerd worden dan de vruchtwaterpunctie (11de versus 16de week), terwijl de onderzoeken vaak ook rechtstreeks op de vlokken kunnen uitgevoerd worden zonder dat deze moeten opgekweekt worden. Zo is de uitslag van de vlokkentest (12de week) meestal meer dan een maand eerder gekend dan het resultaat van een vruchtwaterpunctie (18de week). Wanneer bij een vlokkentest een afwijking wordt gevonden, en de ouders een zwangerschapsonderbreking wensen, kan dit nog gebeuren door een curettage. Dit is meestal minder belastend dan het induceren van een bevalling na een vruchtwaterpunctie.

Tweede trimester maternale screening (Triple test)

Door absorptie van vruchtwater in het moederlijk (maternaal) bloed komt het foetale AFP ook in het bloed van moeder. De AFP bepaling kan dus zowel op vruchtwater als op moederlijk bloed worden uitgevoerd, maar de test is natuurlijk betrouwbaarder wanneer AFP in het vruchtwater wordt bepaald. Het AFP in bloed kan verhoogd zijn bij een perfect normale fetus zonder neuraal buis defect (bv wanneer er een bloeding geweest is vroeg in de zwangerschap). Anderzijds kan het maternale AFP normaal zijn terwijl de fetus toch een neuraal buis defect heeft. Een verhoogd AFP in moederlijk bloed geeft dus enkel aan dat er een verhoogd risico bestaat op een neuraal buis defect. In dat geval is het aangewezen om een vruchtwaterpunctie met AFP bepaling in vruchtwater te doen, gecombineerd met echografie om een neuraal buis defect of buik wand defect uit te sluiten.
Het AFP gehalte in moederlijk bloed kan ook te laag zijn: dit is soms het geval wanneer de foetus Down syndroom of een andere chromosoomafwijking heeft, die gepaard gaat met een kleine of slecht functionerende moederkoek (placenta), waardoor de foetus minder AFP maakt en er dus ook minder AFP is in het moederlijk bloed. Om die reden is de bepaling van AFP in moederlijk bloed een screeningstest voor het syndroom van Down en andere chromosoomafwijkingen geworden.
De maternale screening op chromosoomafwijkingen wordt momenteel meestal gecombineerd met de bepaling van andere eiwitten in moederlijk bloed, zoals ß-HCG (Human Chorionic Gonadotrophin), en vrije oestriol. Gezien het dus gaat over een bepaling van drie verschillende bestanddelen, wordt deze test ook triple test genoemd. De triple test wordt uitgevoerd in het tweede trimester van de zwangerschap tussen de 14de en 18de week. De triple test is geen echte diagnostische test, die een afwijking bij de foetus diagnosticeert, maar een screeningstest die enkel een verhoogd risico aangeeft voor het syndroom van Down. De tripletest geeft dus het risico op Down syndroom in de zwangerschap aan. De meeste vrouwen (meer dan 95%) met een afwijkende tripletest (risico groter dan 1 op 300) hebben een normale baby zonder chromosoomafwijking. Anderzijds kunnen sommige vrouwen met een normale triple test toch een kind met Down syndroom of andere chromosoomafwijking hebben. Een normale tripletest is dus ook geen garantie op een gezond kind.

Eerste trimester maternale screening (Combi of combinatietest)

Sinds 2000 gebeurt in sommige Westerse landen ook een maternale screening in het eerste trimester van de zwangerschap. Deze screeningstest combineert echografische parameters van de foetus met name de kruin-romp-lengte of CRL en de nekplooimeting of NT met een aantal biochemische parameters namelijk PAPP-A (Pregnancy Associated placental protein-A) en vrij ß-HCG (Human Chorionic Gonadotrophin). De echografie gebeurt best tussen de 11-13 weken. De bloedafname kan op hetzelfde moment verricht worden, maar het is beter om de bloedafname te verrichten tussen de 9-10 de week omdat de resultaten van de test dan eerder bekend zijn.
Net zoals de tripletest is de combi test geen diagnostische test, maar een screeningstest die enkel een verhoogd risico aangeeft voor het syndroom van Down of andere chromosoomafwijking. Een normale combi test is dus geen garantie op een gezond kind.

NIPT

NIPT is de nieuwste prenatale test aangeboden als alternatief voor amniocentese, en Down syndroom screening met de Triple test of Combi test.
Uitgebreide informatie is beschikbaar in onze NIPT infobrochure of via de pagina NIPT .

Print Friendly, PDF & Email

GENDIA

Emiel Vloorsstraat 9, 2020 Antwerp

Phone: +32 3 303 08 01

Web: www.downsyndromenipt.info